Een Franse kolonie, misschien wel de meest winstgevende kolonie ter wereld. Een suikerparadijs gebouwd op de ruggen van een half miljoen tot slaaf gemaakte Afrikanen. Maar het ‘suikerparadijs’ staat in brand.
Er woedt een revolutie. In het gouverneurspaleis, de voormalige zetel van de Franse macht, zit een man gebogen over zijn bureau. Zijn naam is Toussaint Louverture. Ooit een tot slaaf gemaakte, nu de gouverneur-generaal van de kolonie. Hij stelt een grondwet op voor Haïti, de eerste in de geschiedenis die slavernij expliciet en voor altijd verbiedt.
Zijn vijanden in Parijs noemen hem de 'Zwarte Jacobijn', een verwijzing naar de meest radicale Franse revolutionairen. En ze hebben gelijk. Hij spreekt hun taal, de taal van de Verlichting, zijn brieven staan vol met de woorden 'vrijheid' en 'gelijkheid'.
Maar zijn bronnen reiken dieper, en ouder, Louverture is een devoot katholiek, die elke dag de mis bijwoont.
Slavernij is niet alleen verkeerd, zegt Louverture, nee slavernij is een zonde tegen God. En hier op Haïti wordt gevochten voor… verlossing.
