Het is het jaar 410, voor het eerst in 800 jaar is Rome gevallen.
De Visigoten hebben de stad geplunderd – kerken, paleizen, alles gaat in vlammen op.
Overzee, in het Noord-Afrikaanse Hippo, komen vluchtelingen aan.
Edelen, priesters, families – gebroken mensen die alles kwijt zijn.
Ze zijn onthutst, hoe kon Rome - de eeuwige stad - worden veroverd?
In hun midden, luistert een man aandachtig naar alle gesprekken.
het is Augustinus, bisschop van Hippo.
Hij hoort verhalen over verkrachtingen, marteling en wanhoop, en één vraag die steeds opnieuw klinkt: “Is deze ondergang te wijten aan de bekering van Rome tot het christendom?”
Augustinus begint te schrijven.
Hij zoekt woorden voor een wereld in puin.
“Oorlog, schrijft hij, is nooit goed – maar soms noodzakelijk,
wanneer ze gevoerd wordt om vrede te herstellen.”
En uit de as van een verwoeste stad
groeit zo een nieuw idee –
dat zelfs oorlog, in de handen van God,
dienstbaar kan zijn aan vrede.
