Een monnik steekt de rivier De IJssel over. Hij wil er een kerkje bouwen, maar dat is niet zonder gevaar.
Lebuïnus is zijn naam en hij heeft een duidelijk doel: de Saksen in Overijssel en Gelderland ontdoen van hun duistere, heidense gebruiken, en ze - natuurlijk - bekeren tot het christelijke geloof.
Maar de Saksen zijn koppig. Koppiger dan hij had verwacht.
‘De fik erin!’ roept de toegestroomde menigte. De kerk vat vlam, en Lebuïnus kan maar nét ontkomen. “Och Heer, vergeef het hen. Ze weten niet beter”, bidt hij.
Eén man is echter minder vergevingsgezind. Karel de Grote: de machtigste man van Europa. Voor hem is dit geen gewone vernieling, dit is heiligschennis! Karel besluit tot de bloedigste en langstlopende oorlog uit zijn carrière: de Saksenoorlogen. Een strijd die gekenmerkt zal worden door de leus: “De doop… of de dood”.
