Het is een zwoele zomeravond en de Romeinen maken zich klaar voor de nacht. In een winkeltje vlakbij het imposante Circus Maximus - kruipt een vlammetje omhoog langs een stapel houten kratten.
Al snel vindt het vuur zijn weg naar houten balken, naar stoffige gordijnen, naar alles wat het kan verslinden.
Rome staat in brand. Een brand die bijna driekwart van de stad zou verwoesten.
Maar één man… lijkt niet in paniek.
Hij bekijkt de vlammenzee van een afstandje, vanaf zijn balkon. Roerloos, gefascineerd. Hij tokkelt op zijn luit. Zijn vingers dansen over de snaren, terwijl de stad brandt. En die man… is de keizer. Nero.
Althans, dat schrijven Cassius Dio en Seutonius, twee Romeinse geschiedschrijvers die het niet zo op hadden met de excentrieke Nero. Waarschijnlijk is het niet zo gebeurd. Maar één gerucht blijft hardnekkig aan Nero kleven, namelijk dat hij zélf de brand heeft aangestoken. Om ruimte te maken in Rome voor nieuwe, grote bouwprojecten, waaronder de Domus Aurea, Nero’s gouden paleis. Die brand komt hem dus wel heel goed uit, en dat is verdacht.
We zijn nu een jaar na de brand van Rome, in het Circus van Nero.
De tribunes zijn afgeladen vol en zinderen van enthousiasme.
Eén voor één wordt een groep mannen en vrouwen het stadion binnengeleid. Ze zingen en bidden. Een laatste ademtocht – en dan barst het geweld los.
Hongerige wilde beesten bestormen het toneel en verslinden een deel van de groep. Anderen worden gemarteld, gekruisigd of ‘s nachts als tuinfakkel gebruikt.
Keizer Nero geniet en laat zijn blik gaan over de uitzinnige tribunes. Niemand heeft het meer over de brand van Rome, of Nero’s mogelijke aandeel daarin.
Hij lijkt de juiste zondebok te hebben gevonden, een groepje mensen dat men toch al vreemd vond: christenen.
