Italië, rond het jaar 1220
Angst regeert in de straten van het Italiaanse stadje Gubbio. De stadswachten staan op scherp, boeren zijn op hun hoede als ze de akker betreden en kinderen worden binnengehouden.
De oorzaak? Een wolf. Een wolf die de stad en haar bewoners terroriseert. De wanhoop groeit.
Maar dan komt er een monnik naar Gubbio. Een monnik met de naam Franciscus van Assisi. Hij is geïntrigeerd door de wolf. De stadsbewoners smeken hem om binnen te blijven, maar Franciscus luistert niet en loopt het bos in.
En daar is hij dan. De wolf stormt op Franciscus af maar de monnik blijft staan en spreekt zacht: "Kom hier, broeder wolf".
De wolf sluit zijn kaken en legt zich als een mak lam aan Franciscus' voeten neer. In plaats van een monster ziet Franciscus een schepsel van God, een schepsel dat eenzaam en hongerig is.
Franciscus sluit een verbond met de wolf. In ruil voor voedsel mag hij niemand meer kwaad doen. En vanaf die dag woont de wolf in Gubbio, als een tam dier.
