Gespannen loopt Laurentius naar het stadskantoor waar hij moet verschijnen voor de prefect, de Romeinse bestuurder. Het zijn bizarre en beladen tijden. De paus is net geëxecuteerd door het Romeinse gezag en nu zou het weleens zijn beurt kunnen zijn. De jonge Laurentius heeft een verantwoordelijke taak, hij is de diaken van de kerk van Rome: hij beheert dus het geld van de kerk.
De Romeinse keizer Valerianus is het zat. Niet alleen weigeren christenen offers te brengen aan de Romeinse goden, ze krijgen ook steeds meer invloed. Hij besluit de christenen te vervolgen en veel bisschoppen en priesters worden gedood. Maar hij heeft óók een ander doel.
Ah, goed dat je bent gekomen, zegt de prefect tegen Laurentius. 'Breng mij de schatten van de kerk. Al het goud, zilver, juwelen – alles!' Dit is een eis van de keizer.’
Laurentius, kalm maar vastberaden, vraagt: ‘Wilt u mij drie dagen de tijd geven?’
Maar in die drie dagen verzamelt hij geen goud, nee hij deelt uit. Aan de armen, de kreupelen, de weduwen, de zieken…
Tegelijkertijd verzamelt Laurentius wel degelijk iets, maar het is niet wat Rome verwacht.
Dan, op de derde dag, zegt Laurentius tegen de Romeinse bestuurder: ‘Ik heb aan mijn plicht voldaan, kom mee.’ Hij leidt hem naar een plein.
De prefect kan zijn ogen niet geloven. Er is geen goud, zilver of juweel te zien, alleen een menigte arme, kreupele mensen.
'Ziehier,' zegt Laurentius ferm, 'DIT zijn de ware schatten van de Kerk.'
De prefect ontsteekt in woede. "Je spot met Rome's macht!"
Laurentius laat een radicaal andere blik op rijkdom zien, maar wel één die hij zal bekopen… met de dood.
