Wittenberg, de zomer van 1517. Een stoet wagens rijdt door de velden van Saksen. Ze stoppen in het centrum van Wittenberg, dreunende trommels roepen de inwoners naar het plein.
Een aflaatprediker stapt op de kar. Zijn stem draagt ver over de hoofden van de menigte.
"Zodra het geld in het kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt!" roept hij met uitgestrekte armen.
Mensen verdringen zich om de wagens, hun hoop gevestigd op een stukje papier dat hun lot na de dood moet verzachten. Tegen betaling kunnen gelovigen een aflaatbrief krijgen, een document waarmee de paus ze verzekert van een korter verblijf in het vagevuur.
Aan de rand van de menigte staat een man in zijn monnikspij. Maarten Luther. Hij ziet hoe een oude vrouw een muntstuk uit haar doekje haalt en in de kist laat vallen. Hij balt zijn vuisten. Hoe kan die oplichter beweren dat Gods genade te koop is?
Nog diezelfde avond zit Luther in zijn werkkamer, een kaars flakkerend naast hem. Hij doopt zijn ganzenveer in de inkt en begint te schrijven: “Uit liefde voor de waarheid en ijver om haar aan het licht te brengen zal over het onderstaande gedebatteerd worden te Wittenberg.” Het is het begin van zijn inmiddels beruchte 95 stellingen. Een document dat de wereld zou veranderen.
